Vervagen

Vanuit de voordeur kijk ik op die winteravond mijn moeder na en ik zie haar langzaam vervagen in de stilte van de grijze mist. 


Wij woonden, erg lang geleden, in een eengezinsrijtjeswoning met een redelijk grote tuin. Beneden waren twee kamers, een keuken, een gang en de wc. Het huis had boven een douche en vier slaapkamers, twee grote en twee kleine. We woonden er met z’n zessen. Mijn ouders, mijn twee broers, mijn oma en ik. Mijn ouders en mijn broers samen hadden ieder een vrij grote slaapkamer, mijn oma sliep in het grootste kleine kamertje en ik sliep op het allerkleinste kamertje. Er was maar nauwelijks plek voor een bed en een smal tafeltje met een stoel. Toen ik net op de middelbare school zat en mijn oudste broer al twee jaar het huis uit was om te studeren, verhuisde mijn oma naar een kamer in het bejaardentehuis. Mijn broer had toen een kamer voor hem alleen en ik mocht van het kleinste kamertje verhuizen naar het net iets grotere kamertje, waar toch minstens een klein bureautje kon staan. Tot er plotseling een neef van mijn moeder bij ons kwam ‘logeren’ op basis van volpension en zijn intrek nam in het kleinste kamertje. Het hoe, wat, hoelang en waarom weet ik echt niet meer. Vooral het waarom vind ik achteraf gezien echt onbegrijpelijk: hadden ze eindelijk wat meer ruimte, letterlijk en figuurlijk, en dan toch weer zo’n kostganger! 


Het was, in mijn herinnering, een miezerig, klein, mannetje met een brilletje en met brillantine achterover geplakt haar. Hij was er, vreemd, schimmig, raar, zelfs een beetje eng. Ook mijn moeder vertrouwde zijn doen en laten blijkbaar niet helemaal. Vooral ook omdat hij op de meest vreemde tijdstippen er van tussen ging. Wat maakte dat zij hem niet vertrouwde weet ik niet en is me hoogst waarschijnlijk ook nooit verteld, ik was immers nog maar een kind.


Op een stille mistige winteravond stond het mannetje weer op het punt om weg te gaan. Ik zag mijn moeder met mijn vader smiezen. Toen het mannetje de deur uit ging stond mijn moeder snel op, deed haar grijze winterjas aan, knoopte haar sjaaltje om haar hoofd, wachtte even tot hij ver genoeg weg was en ging hem achterna. Voor de duvel en zijn ouwe moer niet bang, mijn moeder!


Ik stond daar in de deur en zag haar verdwijnen in de stille grijze mist in haar grijze jas met haar sjaaltje om haar hoofd.